"Audio-Lingua":
uitspraak verbeteren via de training van klankperceptie |
Ulrike A. Kaunzner
Universiteit van Bologna, Italië |
Bij het leren van een nieuwe taal komt er heel wat kijken: grammatica (morfologie en syntaxis), lexicon en fonetiek. Om vooruitgang te boeken op het vlak van grammatica en lexicon kan een cognitieve inspanning wonderen doen (bijvoorbeeld door tekststudie of het vanbuiten leren). Dit is echter niet het geval voor klankonderscheiding en dus ook niet voor uitspraak en intonatie. Volwassen studenten beschouwen dit vaak als een belemmering.
Sinds jaar en dag is men overtuigd dat luisteren heel belangrijk is om een taal te leren en die zogenaamde belemmering te kunnen overwinnen. Er bestaan inderdaad nauwelijks instellingen zonder taallaboratorium of bandrecorders. Uit onze eigen ervaring leren we echter dat er ook gevallen zijn waarin de studenten er eenvoudigweg niet in slagen om een reeks woorden of zinnen correct uit te spreken, zelfs na een aantal uren in een taallabo te hebben doorgebracht. Kunnen zij gewoon de klanken niet goed produceren of zouden ze die misschien niet horen zoals het moet? Spraak hangt immers nauw samen met auditief begrip. Dit betekent dat dergelijke uitspraakproblemen niet altijd te wijten zijn aan een gebrekkige articulatie, waardoor uitspraakoefeningen maar weinig soelaas brengen als de auditieve input al van bij het begin niet goed ontcijferd wordt. Hoe kan een traditionele opleiding de uitspraak van een cursist verbeteren als hij die klanken niet juist hoort? Vanaf het begin zou de klankperceptie dus met een reeks oefeningen getraind moeten worden!
"Audio-Lingua" is de naam van een onderzoeksproject dat de doeltreffendheid van de SPT-methode ("training klankperceptie") heeft getest. Deze methode blijkt op een ongedwongen manier positieve effecten op de orale productie (uitspraak en intonatie) van de doeltaal te hebben. Het project genoot ondersteuning van het Europees syndicaat via het Lingua-programma (het huidige Socrates-programma), en dit voor de maximale duur van drie jaar (1993, 1994 en 1995). De doelstelling van het project was tweeledig:
1. de doeltreffendheid van de SPT-methode testen, namelijk of het de uitspraak via geluidstimulatie verbetert;
2. de ontwikkeling van het didactische uitspraakmateriaal (boek met opnames/cd) voor de doeltalen Duits, Italiaans, Nederlands en Spaans.
Naast de universiteit van Bologna (tolk- en vertaalschool in Forlì) als coördinerende instelling, werkten ook vijf universiteiten en twee niet-universitaire instellingen in Italië, Duitsland, België, Nederland en Spanje aan dit project mee.
1. Luisteren verrijkt talenkennis: principes van de SPT-methode ("formation saine de perception")
De SPT-methode wil mensen gevoelig maken voor het klanksysteem van de doeltaal. Begrip komt altijd vóór productie, en auditief begrip vóór orale productie. De resultaten van ons project bevestigden dat de stagiairs die aan deze opleiding deelnamen, een opmerkelijk betere uitspraak hebben dan zij die enkel met uitspraakoefeningen werkten.
De Franse neus-, oor- en keelarts Alfred Tomatis voerde in de jaren 50 onderzoek naar de mechanismen van klankperceptie. Hierbij vergeleek hij geluidsspectra (spectrogrammen) met gehoorcurves (audiogrammen) en stootte op een nauw verband tussen de verspreiding van Hertz-frequenties voor het gehoor en de productie. Deze frequenties die niet hoorbaar zijn, ontbraken ook in het geluidsspectrum. Voor een niet-beschadigd gehoor betekent dit dat er een automatische selectie is in de opname van de geluidsinput, wat aangeduid wordt met de kwaliteit van de stemproductie.
De auditieve selectie kan opzettelijk gebeuren, bijvoorbeeld wanneer we erin slagen iemand in een erg luidruchtige situatie te verstaan (waarbij uit metingen zou blijken dat het volume van de achtergrondgeluiden hoger is dan de stem die we proberen te verstaan). Daarnaast kan de auditieve selectie ook gewoontegebonden zijn, zoals bij een moeder die door allerlei geluiden heen slaapt, maar onmiddellijk klaarwakker is als haar baby begint te huilen. Iemand anders zou zich in dit geval niet eens bewust zijn van het geluid omdat dit voor hem geen betekenis heeft.
Bij het aanleren van een taal komt hetzelfde fenomeen van selectief gehoor aan bod. Ons auditief systeem voor talen is nauw verbonden met de specifieke taal/talen waarmee we opgegroeid zijn: namelijk onze moedertaal of in het geval van tweetaligen de taal van de “ouders” of "oppasser". Tomatis berekende "envelopcurves" voor verschillende talen die het typische gemiddelde frequentiespectrum van een taal weergeven. Andere wetenschappers zoals Delattre hebben gelijkaardige berekeningen gedaan en onderzochten de verschillen in de formanten van klinkers in verschillende talen. Bepaalde klanken in een vreemde taal die niet in de moedertaal voorkomen, zal men zo dicht mogelijk bij de eigen klanken horen en interpreteren. Deze vervangingsstrategie is een van de voornaamste redenen waarom studenten een vreemde taal met een “buitenlands accent” spreken. Vaak zijn ze zich hier niet van bewust: hun mentale decoderingsmechanisme reageert niet op bepaalde, niet zo vertrouwde, klanken in de vreemde taal.
De fonologische ontwikkeling bij jonge kinderen verloopt vlotter dan bij volwassenen. Zij komen met meerdere talen tegelijk in contact en hebben in geen enkele een “buitenlands accent”. De volwassenen studenten (vanaf de zogenaamde kritieke fase van de puberteit) hebben grote moeilijkheden met nieuwe klanksystemen. Op andere vlakken zoals grammatica en woordenschat blijken oudere studenten in feite te verbeteren doordat ze gebruikmaken van cognitieve kwalificaties. Bij de uitspraak is cognitieve hulp slechts tot op een bepaald punt interessant (bijvoorbeeld door visualisatie van de spraakorganen, melodiecurves, verbale beschrijving van bepaalde klankproducties).
Een juiste uitspraak kan slechts zelden automatisch of door eenvoudige imitatie bereikt worden. Volwassen studenten hebben zich reeds luistergewoontes eigen gemaakt en niet alles wat ze horen, kunnen ze zelf juist produceren. De klanken van een vreemde taal moeten immers door een filter waarin de klankvoorraad van de moedertaal ligt. Het nut van een taallaboratorium is eerder beperkt als de stagiairs niet correct horen, m.a.w. als zij niet zo vertrouwde klankconfiguraties niet kunnen onderscheiden. Op een andere manier leren luisteren en begrijpen, is noodzakelijk voor een betere spreekvaardigheid. Deze nieuwe luistermodellen kunnen de klankproductie controleren en verbeteren, en het spraaksysteem op punt stellen.
Wegens bovenvermelde verschillen in de taalperceptie, zal een spreker van een taal niet noodzakelijk elke fonologische input van een andere taal ontvangen en decoderen. Bijgevolg zal hij dit niet in de orale productie kunnen overnemen. Bijvoorbeeld: het Duitse foneem “ö” (zoals in “böse”) komt niet in veel talen voor en wordt vaak vervangen door een klank die hier dicht bij aanleunt uit de eigen taal van de student door een veralgemening van de klankconfiguraties zoals “e” (“bese”) of “o “ (“bose”). Differentiatietests hebben immers aangetoond dat heel wat stagiairs die dergelijke fouten begaan, de klank niet gemakkelijk kunnen onderscheiden wanneer ze die te horen krijgen. Hetzelfde geldt voor andere klanken of klankcombinaties waarvan de student niet op de hoogte is. Een ander voorbeeld is de Engelse fricatief [ð] zoals in “father”. De Duitstaligen ondervinden hierbij vaak moeilijkheden en vervangen die vaak door eigen klanken zoals [z] of [t] die hier dicht bij aanleunen.

Tomatis heeft een elektronisch instrument ontwikkeld ("elektronisch oor") om de klankperceptie te stimuleren en de hoeveelheid ontvangen informatie te verhogen. Een verbeterde klankperceptie leidt tot een verbetering van de luistercapaciteit, een beter begrip van de taal in het algemeen en een betere taalproductie (zoals uitspraak). Talen leren wordt dus gemakkelijker. Het elektronische oor vormt het automatische selectieve gehoormechanisme en zorgt ervoor dat het gehoor zo reageert dat het minder gekende configuraties kan ontwaren. Zo wijzigt het de manier van luisteren en dus ook de manier van spreken. Dit instrument werd verder ontwikkeld door Diapason Ltd in Milaan en kreeg de huidige naam “Sound Perception Training” (SPT, training klankperceptie). Het is samengesteld uit elektronische circuits die door een microprocessingsysteem gestuurd worden. Een softwareprogramma geeft de instructies, en het is uitgerust met speciale koptelefoons en geluidsbronnen (microfoon, bandrecorder).
2. Klankwijzigingen door het SPT-instrument
De training, zoals ontwikkeld door Tomatis, voedt de gehoororganen opnieuw op en stimuleert zo de aangeboren capaciteiten. Dit gebeurt via de elektronische wijziging van klanken en klankoverdracht. De SPT kan individueel of voor homogene groepen georganiseerd worden. De basis hiervan zijn de volgende vier wijzigingen:
2.1 Filtering
Voor de loutere identificatie van de klinkers is uitsluitend de eerste (laagste) formant van belang. Anderzijds situeren de verschillen in klankkleur zich hoofdzakelijk in de boventonen, voornamelijk de tweede formanten. Zij verspreiden geen fonologische informatie en worden vlug overtroffen door de sterke eerste formanten zodat de fijne verschillen niet opgemerkt worden. Door de frequenties van laag naar hoog (van 500 tot 9.000 hertz) te filteren, leren de studenten open te staan voor boventonen en de klanken beter van elkaar te onderscheiden.
2.2 Klankoverdracht via twee kanalen
Het instrument maakt gebruik van twee kanalen voor de klankoverdracht. De klankstructuur in kanaal 1 (C1) versterkt het frequentieprofiel van de manier waarop de student spreekt en hoort: de laagste frequenties worden versterkt, de hoogste afgezwakt. In kanaal 2 (C2) gebeurt het tegenovergestelde: de laagste tonen worden afgezwakt en de hoogste versterkt. Door plotse overschakelingen tussen de twee kanalen moet het gehoor zich wel aanpassen aan de minder vertrouwde klankstructuur van de doeltaal en krijgt het automatische selectiemechanisme zoals hierboven vermeld geen kans meer.

2.3 Klankoverdracht via de beenderen
De koptelefoons van de SPT hebben een extra zender voor de klankoverdracht via de beenderen om de klankperceptie te versterken door de klanktrillingen direct via de schedel naar het binnenoor te leiden. Op deze manier zijn er drie bronnen van klankoverdracht: het rechteroor, het linkeroor en de beenzender boven op de schedel. Geluid verplaatst zich niet alleen via de lucht, maar gaat tien keer sneller via dik materiaal zoals been. In het gehoor-luisterproces worden klanken altijd via de beenderen en de lucht overgebracht.
2.4 Intensiteitdifferentialen in de output
Het volume waarmee de gemanipuleerde klankboodschap de oren van de stagiair bereikt, verschilt naargelang de zender. Voornamelijk in het linkeroor is dit volume minder luid. Dit verschil is er omdat de twee oren de klanken niet op dezelfde manier ontvangen. Volgens Tomatis vervult het rechteroor een dominante functie. Hier worden aspecten als intensiteit, klankkleur, intonatie, melodie en semantiek gecontroleerd en geleid. Deze dominantie van het rechteroor is o.a. te verklaren door het feit dat de nervus recurrens, een aftakking van de nervus vagus (zwervende zenuw) dat het trommelvlies, de keelholte en het strottenhoofd controleert, aan de linkerkant zo’n 40 à 50 centimeter langer is dan aan de rechterkant. Dit heeft een noemenswaardige vertraging van het zenuwsignaal tot gevolg.

Fig. 2: Aftakking van de nervus vagus in de buik: de nervus recurrens aan weerszijden
Tomatis geeft nog een andere verklaring voor de voorkeur van het rechteroor tijdens de training met het toestel: de hersenzones die instaan voor de spraakanalyse en –herkenning, en de verwerking van de fonetische geluidsinformatie bevinden zich in de linkerhersenhelft. De signalen die het linkeroor opvangt zouden eerst in de rechterhemisfeer aankomen, maar vervolgens naar de linker worden doorgestuurd voor de decodering ervan. Dit betekent dus een kwaliteitsverlies als het spraakproces via het linkeroor verloopt.
3. Organisatie van het SPT-trainingsprogramma
Het trainingsprogramma voor klankperceptie volgt men best vóór of tijdens een klassieke talenopleiding. We beschouwen het niet als een tegenhanger of vervanger, maar als een aanvulling of een extra duwtje in de rug om zich de juiste uitspraak eigen te kunnen maken. Na een aantal luistersessies is de opleiding afgerond en zou het effect ervan na verloop van tijd niet mogen afnemen. De SPT moet gezien worden als een instrument ter correctie van vastgeroeste luistergewoontes die de automatische gehoorselectie stuurt zodat het gehoor en bijgevolg de spraak gewijzigd worden. Deze training voorziet dus een "kortere weg voor studenten". (McLaughlin, 1987, blz. 48).
De training stimuleert eerst en vooral de luistercapaciteiten en wordt daarna geïntegreerd in de uitspraakoefeningen. Een regelmatig programma is hierbij van cruciaal belang. De dagelijkse sessies duren minstens 60 en maximum 120 minuten (120 minuten blijken te lang voor stagiairs die hiervoor extra tijd moeten vrijmaken in hun drukke schoolprogramma). De opleiding loopt ongeveer twee maanden, maar kan uiteraard in functie van de behoeften verlengd worden.
In ons opleidingsprogramma gebruiken wij oefeningen en teksten voor uitspraak die in het “Audio-Lingua”-project werden ontwikkeld.21 Het is opgesplitst in twee fasen. Eerst beginnen de stagiairs met de receptieve fase en stappen vervolgens na een pauze van twee tot drie weken over op de productieve fase. Tijdens de receptieve fase luisteren de studenten naar bandopnames met teksten in de doeltaal. De SPT voert de aanpassingen uit zoals hierboven beschreven. De studenten zijn zich hier niet altijd ten volle van bewust, maar de kracht van de SPT ligt erin dat hun gehoor zich “openstelt” voor klanken waarmee ze minder vertrouwd zijn.
Tijdens de productieve fase krijgen de stagiairs opnames in de doeltaal te horen (woorden, woordgroepen, zinnen en korte teksten), die ze zelf luidop moeten herhalen en voorlezen. Zo past het SPT-instrument hun gehoor constant aan – en dus ook hun stem – aan het typische frequentiespectrum van de doeltaal. De opleiding heeft dan ook een dubbel effect: het gehoor en de spraak veranderen, en zelfcontrole voor de stagiairs. Ze leren zelf ondervinden hoe een moedertaalspreker zijn taal hoort en dit geeft hen een gigantische voorsprong op iemand die een taal enkel met de klankperceptie en informatie uit zijn eigen taal benadert. Tijdens en na de opleiding hebben de stagiairs meer kans om een vreemde taal met de juiste uitspraak en intonatie te spreken.
4. De SPT-methode binnen het “Audio-Lingua”-project testen
De studie liep in vijf universiteiten met drie testgroepen die Duits wilden studeren: Forlì, Antwerpen, Zaragoza, Milaan en Brescia. In alle universiteiten werd het zelfde materiaal gehanteerd (Duits als doeltaal ) omdat dit de eerste uitspraakcursus was die tijdens dit project ontwikkeld werd en omdat de resultaten zo vergeleken kunnen worden. De resultaten zijn mogelijk van toepassing op om het even welke doel- en brontaal. De drie testgroepen hadden het volgende profiel:
a) SPT-groep
De stagiairs werkten met de SPT-instrumenten, namelijk het uitspraakproduct dat in dit project werd uitgewerkt (Duits als doeltaal). Een lesgever was slechts af en toe aanwezig maar is niet tussengekomen en heeft niet geholpen.
b) Controlegroep
De stagiairs werkten in een klassiek taallabo met hetzelfde product (Duits als doeltaal, ontwikkeld in dit project), maar zonder enige klankmanipulatie. Hier was altijd een lesgever aanwezig die hun prestaties controleerde en verbeterde. – In Zaragoza was er geen controlegroep.
c) Nulgroep
De stagiairs in deze groep kregen geen enkele specifieke uitspraakles. Zij zetten gewoon hun dagelijkse lessen Duits aan de universiteit verder. – In Forlì was er geen nulgroep.
Alle stagiairs van de drie groepen hebben in het begin en op het einde een test afgelegd, de experimentele groep kreeg nog een tussentijdse test voorgeschoteld. Aanvankelijk namen er 203 personen deel, naar het einde toe waren er maar 158 meer, van wie er 128 beschouwd werden als statistisch significant. Alle testen bestaan uit een luistertest (klankperceptiedrempel, selectiviteit en lateralen), een “receptieve” test (fonologische differentiatie, meerkeuze en testen voor woordklemtonen) en een “productieve” test (hardop lezen, herhaling en vrij spreken).
luistertest |
- klankperceptiedrempel
- selectiviteit
- lateralen
|
“receptieve" test
(in taallaboratorium) |
- fonologische differentiatie
- meerkeuze (klankonderscheid)
- woordklemtoon
|
"productieve” test
(individuele test, bandopnames voor segmentale en suprasegmentale evaluatie) |
- hardop lezen (dialoog en proza)
- herhaling
- vrij spreken
|
vragenlijst |
- indruk van de stagiair zelf
|
Fig. 4: Testen die alle deelnemers moesten afleggen
5. Eerste resultaten
Het Nederlandse testinstituut CITO heeft meegewerkt aan de uitwerking van de test en evalueert de testresultaten met het een-parameter Rasch-model van de itemresponstheorie (IRT). Het Rasch-model toont een verband aan tussen de via de test waarneembare prestatie en de niet-observeerbare kenmerken of capaciteiten die hiervan aan de basis lijken te liggen.
Voor de statistische evaluatie kreeg elke test 248 items toegekend. Elk item kreeg een waarde die het resultaat van de prestatie hierop weergeeft (het volledige bestand bestaat uit ruim 1 600 combinaties item-persoon). Door de toepassing van het IRT-model kan het verband tussen het observeerbare resultaat van een test en de capaciteiten van de testpersoon worden berekend. Het verschil in deze variabele tussen de capaciteiten van een persoon en de moeilijkheid van een item bepaalt de kans op een positief antwoord. Zo kunnen de testresultaten beschreven worden in een aantal capaciteitspunten die nauw samenhangen met de taalvaardigheid van de deelnemer. CITO werkt vandaag echter nog aan het eindrapport, waarin de unieke aspecten van de algemene resultaten bekeken, vergeleken en besproken worden. Vandaag hebben zij al de figuren met de algemene resultaten opgemaakt (alle testen samen) op een schaal van capaciteiten. Op basis van deze testresultaten zien we de evolutie in de capaciteit van de stagiairs om de vreemde taal aan te leren of te verbeteren. Onderstaande tabel toont de evaluatie van de taalcapaciteiten van de deelnemers in T1 (begintest), T2 (tussentijdse test, enkel in Forlì) en T3 (eindtest):

Fig. 5: Evaluatie van de taalcapaciteiten van de deelnemers
Uit deze resultaten blijkt dat de SPT-methode in alle testgroepen van alle partneruniversiteiten tot een hogere fonetische capaciteit heeft geleid. De SPT-groepen hebben immers een significant beentje voor ten opzichte van de controle- en nulgroepen.
We nemen de evolutie in de capaciteiten van de groepen in Forlì, Antwerpen en Zaragoza even onder de loep:
Evolutie in Forlì |
SPT-groep: 62,35 %, |
controlegroep: 28,90 % |
Evolutie in Antwerpen |
SPT-groep: 64,07 %, |
controlegroep: 45,12 % |
Evolutie in Zaragoza |
SPT-groep: 114,42 %, |
controlegroep: 55,20 % |
De hoge cijfers voor Zaragoza zijn wellicht te verklaren door het feit dat het niveau van de Duitse taal bij de twee groepen oorspronkelijk al zeer laag was. Dit leidde tot een snellere verbetering dan in Forlì of Antwerpen (tolk- en vertaalscholen).
In vergelijking met de algemene resultaten van de SPT-groepen en de controlegroepen T1 (begintest) en T3 (eindtest, ongeveer drie maanden later), leveren de resultaten een indrukwekkend beeld op: de capaciteiten van de SPT-groepen zijn in het algemeen met 70,95 % gestegen, terwijl de controlegroepen er gemiddeld 36,52 % op vooruitgingen:

Fig. 6: Opwaartse evolutie capaciteiten tussen T1 en T3 van alle SPT- en controlegroepen
Deze resultaten bewijzen duidelijk dat de methode een noemenswaardige innovatie kan betekenen voor het (aan)leren van een vreemde taal. Indien we dit vertalen in tijd, dan zou een stagiair met de SPT-methode er bijna 50 % minder lang over doen dan iemand in dezelfde cursus die geen specifieke training voor klankperceptie volgt.
6. Besluit
De testresultaten tonen tot dusver aan dat de stagiairs in de SPT-training een gevoelig betere uitspraak hebben dan zij die enkel uitspraakoefeningen maken. De training voor klankperceptie is een waardevol instrument gebleken om taallessen te ondersteunen en te vergemakkelijken, en de orale vaardigheden een extra duwtje in de rug te geven. Het kan een immense hulp betekenen in een aanpak van meertalig begrip want de training “opent” letterlijk de oren en de student wordt opmerkelijk gevoeliger voor de auditieve input in het algemeen.
Met name vier groepen van studenten kunnen van de SPT-methode gebruikmaken:
a) Volwassen studenten die meer moeilijkheden ondervinden dan kinderen bij het leren van de uitspraak en intonatie in een vreemde taal;
b) Gevorderde studenten die al een hoog taalvaardigheidsniveau halen en die zich niet zonder extra hulp kunnen vervolmaken;
c) Studenten die op zichzelf een taal leren, zonder hulp van een (native) leerkracht of zonder een tijdje in het land van die vreemde taal te kunnen verblijven;
d) Jonge studenten met specifieke gehoorproblemen (inhaalcursus).
Bovendien zijn we ervan overtuigd dat de gemiddelde student met om het even welk taalniveau erg veel profijt kan halen uit een systematische of occasionele training met het materiaal dat voor de SPT werd ontwikkeld.
Deze universiteiten werkten mee:
1. Katholieke Vlaamse Hogeschool (Antwerpen, België)
2. Gerhard-Mercator-Universität-Duisburg (Duisburg, Duitsland)
3. Università La Sapienza (Rome, Italië)
4. Università Cattolica del Sacro Cuore di Milano (Milaan en Brescia, Italië)
5. Universidad de Zaragoza (Zaragoza, Spanje)
De partneruniversiteiten hadden als taak:
· de SPT-methode testen;
· het uitspraakmateriaal voor Duits, Italiaans, Nederlands en Spaans als vreemde taal uitwerken.
De namen en taken van de twee niet-universitaire instellingen:
1. Diapason Ltd., Milaan, Italië: bezorgde ons de elektronische instrumenten en de technische knowhow;
2. CITO (National Institute for Educational Measurements), Arnhem, Nederland: consult bij de organisatie van testen en de evaluatie van de gegevens en testresultaten.
2. Frequentie staat voor het aantal geluidsgolven per seconde en wordt uitgedrukt in Hertz. Hoe hoger de frequentie, hoe hoger het geluid. Een menselijk oor kan van 16 tot 16 000 Hertz ontvangen (soms 20 000 Hertz: cf. v. Essen 1979, blz. 152).
3. Zie onderzoek van M. Pierre en P. Grassé, voorgesteld door R. Husson, 1957.
4. Een aantal cijfergegevens: volgens J. Wendler en W. Seidner (1987, blz. 86) is de totale auditieve registratie ongeveer 100 000 bits/sec, terwijl de gehoorperceptie 50 bits/sec bedraagt, dat is slechts een
2 000e van de totale informatie.
5. Psychologen noemen dit fenomeen van selectief gehoor "cocktail-party effect".
6. Studies tonen aan dat een baby na drie maanden een gehoorpatroon begint te vormen dat volledig ontwikkeld is op de leeftijd van 16 jaar (Caneau 1992, blz. 19 en 39).
7. Cf. Tomatis, 1991.
8. Cf. Delattre, 1965.
9. Krashen stelt dat de lagere capaciteit van volwassen studenten om een taal aan te leren een gevolg is van een hoge affectieve filter, die een hindernis vormt. Volwassenen maken gebruik van een cognitief controle- instrument, die hij "monitor" noemt. (Krashen, 1985)
10. In de jaren 50 sprak Nicolay Trubetzkoy over "fonologische roosters" die als filters functioneren: ongekende klankeigenschappen van het klanksysteem van de vreemde taal zouden door het rooster heen gaan (dit betekent dat het decoderingsmechanisme niet werkt) terwijl de gekende “opgehouden” zouden worden. (Trubetzkoy, N.S. Grundzüge der Phonologie. Göttingen: Vandenhoek & Ruprecht, 1958)
11. De differentiatietest die de studenten aan de University of Bologna bijvoorbeeld aflegden, was met een rij woorden die lichtjes verschilden. De student moest aanduiden welke anders klonk dan de rest (bijvoorbeeld
"Miller - Müller - Miller - Miller", waarbij het tweede woord het juiste antwoord was).
12.Geluidsbronnen kunnen zijn: bandopnames alsook de stem van de leerkracht zelf (die het oor van de student direct bereikt via een microfoon en automatisch circuit van de koptelefoon).
13. In het spectrum van de klinkers bevinden de hoofdformanten zich in de volgende zones: /i/: 200-400 en 3 000-3 500 Hz; /e/: 400-600 en 2 200-2 600 Hz; /a/: 800-1 200 Hz; /o/: 400-600 Hz; /u/: 200-400 Hz. (Cf. Trendelenburg in Habermann 1986, blz. 77).
14. De twee kanalen betekenen niet dat één kanaal gebruikt wordt voor het rechteroor en het andere voor het linkeroor. Het geluid wordt voortdurend aangepast maar niet via de twee kanalen aan beide kanten gesynchroniseerd.
15. D.R. Lide vergelijkt cijfers voor de snelheid van geluidsoverdracht in meters per seconde: (Cf. Lide, 1993)
Droge lucht 0°C - 353 m/sec; zeewater 25°C - 1 531 m/sec; been - 3 380 m/sec.
16. We kunnen de overdracht via been gemakkelijk in ons eigen lichaam testen als we onze vingers in onze oren steken en luid spreken. Alles wat we dan horen wordt voornamelijk overgedragen via de beenderen van onze schedel en niet via de lucht. We zijn gewoon onszelf te horen via een combinatie van overdracht via beenderen en de lucht. Daarom lijkt een bandopname van onze eigen stem zo bizar. In dat geval valt de overdracht via beenderen namelijk weg.
17. Voor lateralisatie van het gehoorproces, zie Tomatis, 1986, blz. 64-85.
18. Cf. Kahle et al., 1991, blz. 108-09.
19. Cf. A. Tomatis, 1977, blz. 86 en Wirth 1994, blz. 76-88.
20.Cf. Kaunzner, 1994, blz. 72-73 en Kaunzner/Gianni, 1997
21. Het handboek (met 5 audiobanden) voor Italiaanse native speakers is nu beschikbaar: U.A. Kaunzner, 1997. I Suoni del Tedesco. Deutsche Aussprache für italienischsprachige Lerner. Bologna, CLUEB. Een algemene versie op cd (voor elke brontaal) komt uit bij Julius Groos Verlag, Heidelberg.
22.Er waren een aantal redenen waarom bepaalde deelnemers uitgesloten werden en Milaan en Brescia helemaal niet opgenomen werden:
1. organisatorische problemen;
2. technische problemen met de instrumenten (die verder moesten worden uitgewerkt voor gebruik in grote groepen);
3. het feit dat sommige deelnemers de hele reeks sessies niet konden volgen of niet aan de eindtest deelnamen.
23. Voor meer details over het testmateriaal, zie Kaunzner/Gianni, 1997.
24. Cf. Rasch,1980.
25. Als het toegepaste model betrekking heeft op alle items in een specifieke reeks, dan meten alle items dezelfde capaciteit. Een subject met een hogere capaciteit zal dan meer kans hebben op een juist antwoord voor alle items in de test dan een subject met een lagere capaciteit. Zo zullen positieve verschillen in de gemiddelde capaciteit tussen subjectgroepen resulteren in positieve verschillen in de waarschijnlijkheid dat deze groepen in elk item van de test zullen slagen. Via het computerprogramma OPLM (Verhelst et al., 1995) wordt de moeilijkheidsparameter van een item ingeschat, gezien het bestand. Door het gebruik van de waarderingsprocedure “conditional maximum likelihood” (CML) konden de itemparameters zonder enige beperking op de capaciteitsverdelingen binnen elke groep of over alle groepen heen ingeschat worden. (John De Jong, Directeur van de Unit voor Taaltesten bij CITO, eindrapport in voorbereiding).
26. "Item" betekent één aspect in een test die geëvalueerd wordt (bijvoorbeeld wanneer een zin tijdens een oefening met de klemtoon op het juiste woord herhaald wordt).
27. John De Jong, Directeur van de Unit voor Taaltesten bij CITO, eindrapport in voorbereiding.
28. Door de toepassing van de itemresponstheorie worden verschillen in de resultaten van de groepen bij T1
irrelevant.
29. Een gedetailleerd rapport over de testresultaten zal tegen eind 1997 door CITO gepubliceerd worden.